Vrijdag 30 maart 2018, Goede Vrijdag Vrijdag 30 maart 2018, Goede Vrijdag


Orde van dienst op Goede Vrijdag
Exoduskerk, 30 maart 2018, 19.30 uur

Voorganger: Ineke Bakker(prop.)
Organist: Piet Westhoeve
Lector: Margot van de Wiel

Met beelden uit de kruiswegstatie van Leo Dortants
(kapel Vijverdal te Maastricht)


Voor de dienst is het stil


Zingen: Lied 598 (2x)
Als alles duister is, 
ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft, 
vuur dat nooit meer dooft


Groet en bemoediging 
V: De Heer zal bij U zijn
A: De Heer zal U bewaren
V: Bij U, Heer, schuil ik, maak mij nooit te schande,
A: Red en bevrijd mij, doe mij recht, hoor mij en kom mij te hulp
V: Wees de rots waarop ik kan wonen, waar ik altijd heen kan gaan
A: U hebt mijn redding bevolen, mijn rots en mijn burcht, dat bent


Zingen: Psalm 22 : 1 en 2 
Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij mij 
en blijft zo ver, terwijl ik tot U schrei, 
en redt mij niet, maar gaat aan mij voorbij? 
Hoe blijft Gij zwijgen? 
Mijn God, ik doe tot U mijn kreten stijgen 
bij dag, bij nacht. Tot U slechts kan ik vluchten, 
maar krijg geen rust, geen antwoord op mijn zuchten 
in klacht op klacht.

Nochtans, op U, o God die heilig zijt 
en troont op lofgezangen, U gewijd 
door Israël dat Gij hebt uitgeleid, 
steunt ons vertrouwen, 
immers, de vad’ren bleven op U bouwen, 
dat Gij hen nam in heilige bescherming: 
Gij hebt, als zij U riepen om ontferming, 
hen niet beschaamd. 


Gebed voor de Goede Vrijdag 


We luisteren naar het lied ‘Goede Vrijdag’ van Matthijn Buwalda

Goede Vrijdag 
Zet mij even stil bij Goede Vrijdag
Zet mij even stil op Golgotha
Eerlijk gezegd vind ik het moeilijk
Iemand die moest sterven in mijn plaats
Maar toch, toch wil ik me Uw lijden beseffen
Toch, toch dank ik U dat U mij kwam redden!

U liep de extra mijl
En stierf aan het kruis
U ging door de hel
En ik mag naar huis
U streed de zwaarste strijd
En toch hield U stand
Mijn leven ligt bevrijd
In Uw doorboorde hand

Kom me tegemoet Heer in mijn denken
Kom me tegemoet in al mijn trots
Ik red het liefst mezelf
En daarom denk ik dat Uw dood vaak met mijn leven botst

Maar toch, toch wil ik me Uw lijden beseffen
Toch, toch dank ik U dat U mij kwam redden!

Het is Goede Vrijdag en ik mag naar huis
Het is Goede Vrijdag en nu ben ik thuis


Moment van stilte


De Schriften
Schriftlezing OT: Hosea 6 : 1 – 6 
1 ‘Kom, laten wij teruggaan naar de HEER! Hij heeft ons verscheurd, hij zal ons genezen; de hand die sloeg, zal ons verbinden.
2 Hij redt ons na twee dagen van de dood, de derde dag doet hij ons opstaan: in zijn nabijheid zullen wij leven.
3 Dan zullen wij hem kennen, ernaar jagen om de HEER te kennen.
Even zeker als de dageraad zal hij komen, hij komt naar ons als milde regen, als de lenteregen die de aarde drenkt.’
4 Wat moet ik met je beginnen, Efraïm? Wat moet ik met je beginnen, Juda? Want jullie liefde is als een ochtendnevel, als dauw die ’s morgens vroeg verdwijnt. 5 Daarom heb ik jullie gedood met de woorden die ik sprak, jullie neergehouwen door mijn profeten; zo brak het volle licht van mijn recht door. 6 Want liefde wil ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer.


Zingen: Lied 130a : 1 en 2 
Uit angst en nood stijgt mijn gebed. 
O Heer, wil naar mij horen! 
Wanneer Gij op ons falen let, 
zijn wij, o God verloren. 
Maar in uw eindeloos geduld 
delgt Gij de menselijke schuld 
en zegent die U vrezen.

Ik hoop op God de Heer en wacht 
het woord dat Hij zal spreken. 
Al loopt het naar de middernacht, 
ik volg zijn heilig teken. 
Mijn hart is in de donkerheid 
een wachter die het licht verbeidt, 
een wachter op de morgen.


Schriftlezing: Johannes 18 : 1 – 12     
1 Nadat Jezus dit alles gezegd had, ging hij met zijn leerlingen naar de overkant van de Kidronbeek. Daar liep hij een olijfgaard in, met zijn leerlingen. 2 Judas, zijn verrader, kende deze plek ook, want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen. 3 Judas ging ernaartoe, samen met een cohort soldaten en dienaren van de hogepriesters en de farizeeën. Ze waren gewapend en droegen fakkels en lantaarns. 4 Jezus wist precies wat er met hem zou gebeuren. Hij liep naar hen toe en vroeg: ‘Wie zoeken jullie?’ 5 Ze antwoordden: ‘Jezus uit Nazaret.’ ‘Ik ben het,’ zei Jezus, terwijl Judas, zijn verrader, erbij stond. 6 Toen hij zei: ‘Ik ben het,’ deinsden ze achteruit en vielen op de grond. 7 Weer vroeg Jezus: ‘Wie zoeken jullie?’ en weer zeiden ze: ‘Jezus uit Nazaret.’ 8 ‘Ik heb jullie al gezegd: “Ik ben het,”’ zei Jezus. ‘Als jullie mij zoeken, laat deze mensen dan gaan.’ 9 Zo gingen de woorden in vervulling die hij gesproken had: ‘Geen van hen die u mij gegeven hebt, heb ik verloren laten gaan.’ 10 Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat hij bij zich had, haalde uit naar de slaaf van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af; Malchus heette die slaaf. 11 Maar Jezus zei tegen Petrus: ‘Steek je zwaard in de schede. Zou ik de beker die de Vader mij gegeven heeft niet drinken?’
12 De soldaten met hun tribuun en de Joodse gerechtsdienaars grepen Jezus en boeiden hem.


Zingen : Gezang 180 : 1 en 7 (LvK)
Gethsémane, die nacht moest eenmaal komen.
De Heiland heeft bewust die weg genomen.
Hij laat zijn doel moet los, wijkt niet terzijde, 
aanvaardt het lijden.

Hier zijn wij, Heer, een afgeweken schare, 
wij, die zo zorgeloos, zo ontrouw waren. 
Verander ons en reinig onze harten, 
o Man van smarten!


Schriftlezing: Johannes 18 : 13 – 27     
13 Ze brachten hem eerst naar Annas, de schoonvader van Kajafas. Kajafas was dat jaar hogepriester 14 en hij was het die de Joden had voorgehouden: ‘Het is goed dat één man sterft voor het hele volk.’ 15 Simon Petrus liep met een andere leerling achter Jezus aan. Deze andere leerling kende de hogepriester en ging met Jezus het paleis van de hogepriester in, 16 maar Petrus bleef buiten bij de poort staan. Daarop kwam de andere leerling, de kennis van de hogepriester, weer naar buiten; hij sprak met de portierster en nam Petrus mee naar binnen. 17 Het meisje sprak Petrus aan: ‘Ben jij soms ook een leerling van die man?’ ‘Nee, ik niet,’ zei hij. 18 De slaven en de gerechtsdienaars stonden zich te warmen bij een vuur dat ze hadden aangelegd omdat het koud was; ook Petrus ging zich erbij staan warmen.
19 De hogepriester ondervroeg Jezus over zijn leerlingen en over zijn leer. 20 Jezus zei: ‘Ik heb in het openbaar tot de wereld gesproken. Ik heb steeds onderricht gegeven op plaatsen waar de Joden bij elkaar komen, in synagogen en in de tempel, en nooit heb ik iets in het geheim gezegd. 21 Waarom ondervraagt u mij? Vraag het toch aan de mensen die mij gehoord hebben, zij weten wat ik gezegd heb.’ 22 Toen Jezus dat zei gaf een van de dienaren die erbij stonden, hem een klap in het gezicht: ‘Is dat een manier om de hogepriester te antwoorden?’ 23 Jezus zei: ‘Als ik iets verkeerds gezegd heb, zeg dan wat er verkeerd was, maar als het juist is wat ik heb gezegd, waarom slaat u me dan?’ 24 Daarna stuurde Annas hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester.
25 Simon Petrus stond zich intussen nog steeds te warmen. ‘Ben jij soms ook een leerling van hem?’ vroegen ze. ‘Nee,’ ontkende Petrus, ‘ik niet.’ 26 Maar een van de slaven van de hogepriester, een familielid van de man van wie Petrus het oor had afgeslagen, zei: ‘Maar ik heb toch gezien dat je bij hem was in de olijfgaard?’ 27 Weer ontkende Petrus, en meteen kraaide er een haan.


Zingen : Lied 587 : 1 en 2 
Licht voor de wereld, geeft U zich gevangen 
in deze nacht van duistere belangen? 
Ik zoek U Heer, en vraag U: maak mijn oren 
heel om te horen.

Één mens moet sterven om een volk te redden. 
Door uw gehoorzaam lijden kan ik verder, 
warm ik mij aan uw liefde die niet loochent. 
Open mijn ogen.


Schriftlezing: Johannes 18 : 28 – 19 : 3
28 Jezus werd van Kajafas naar het pretorium gebracht. Het was nog vroeg in de morgen. Zelf gingen ze niet naar binnen, om zich niet te verontreinigen voor het pesachmaal. 29 Daarom kwam Pilatus naar buiten en vroeg: ‘Waarvan beschuldigt u deze man?’ 30 Ze antwoordden: ‘Als hij geen misdadiger was, zouden we hem niet aan u uitgeleverd hebben.’ 31 Pilatus zei: ‘Neem hem dan mee, en veroordeel hem volgens uw eigen wet.’ Maar de Joden wierpen tegen: ‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’ 32 Zo ging de uitspraak van Jezus in vervulling waarin hij aanduidde welke dood hij sterven zou.
33 Nu ging Pilatus het pretorium weer in. Hij liet Jezus bij zich komen en vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ 34 Jezus antwoordde: ‘Vraagt u dit uit uzelf of hebben anderen dit over mij gezegd?’ 35 ‘Ik ben toch geen Jood,’ antwoordde Pilatus. ‘Uw volk en uw hogepriesters hebben u aan mij uitgeleverd – wat hebt u gedaan?’ 36 Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap hoort niet bij deze wereld. Als mijn koningschap bij deze wereld hoorde, zouden mijn dienaren wel gevochten hebben om te voorkomen dat ik aan de Joden werd uitgeleverd. Maar mijn koninkrijk is niet van hier.’ 37 Pilatus zei: ‘U bent dus koning?’ ‘U zegt dat ik koning ben,’ zei Jezus. ‘Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg.’ 38 Hierop zei Pilatus: ‘Maar wat is waarheid?’ Na deze woorden ging hij weer naar de Joden buiten. ‘Ik heb geen schuld in hem gevonden,’ zei hij.39 ‘Maar het is bij u gebruikelijk dat ik met Pesach iemand vrijlaat – wilt u dat ik de koning van de Joden vrijlaat?’ 40 Toen begon iedereen te schreeuwen: ‘Hem niet, maar Barabbas!’ Barabbas was een misdadiger.
1 Toen liet Pilatus Jezus geselen. 2 De soldaten vlochten een kroon van doorntakken, zetten die op zijn hoofd en deden hem een purperen mantel aan. 3 Ze liepen naar hem toe en zeiden: ‘Leve de koning van de Joden!’, en ze sloegen hem in het gezicht.


Zingen : Lied 587 : 3 en 4 
Hemelse koning, door God uitgekozen, 
waarom staat U terecht als rechteloze? 
U hebt geen schuld, de waarheid is geschonden. 
U draagt mijn zonden.

Hier is God zelf, ontdaan van alle glorie, 
de mens die uit de hemel is geboren. 
Ik ben de gesel die Hem openhaalde, 
ik laat hem vallen.


Schriftlezing: Johannes 19 : 4 – 16a    
4 Pilatus liep weer naar buiten en zei: ‘Ik zal hem hier buiten aan u tonen om u duidelijk te maken dat ik geen enkel bewijs van zijn schuld heb gevonden.’ 5 Daarop kwam Jezus naar buiten, met de doornenkroon op en de purperen mantel aan. ‘Hier is hij, de mens,’ zei Pilatus. 6 Maar toen de hogepriesters en de gerechtsdienaars hem zagen begonnen ze te schreeuwen: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’ Toen zei Pilatus: ‘Neem hem dan maar mee en kruisig hem zelf, want ik zie niet waaraan hij schuldig is.’ 7 De Joden zeiden: ‘Wij hebben een wet die zegt dat hij moet sterven, omdat hij zich de Zoon van God heeft genoemd.’ 8 Toen Pilatus dat hoorde werd hij erg bang. 9 Hij ging het pretorium weer in en vroeg aan Jezus: ‘Waar komt u vandaan?’ Maar Jezus gaf geen antwoord. 10 ‘Waarom zegt u niets tegen mij?’ vroeg Pilatus. ‘Weet u dan niet dat ik de macht heb om u vrij te laten of u te kruisigen?’ 11 Jezus antwoordde: ‘De enige macht die u over mij hebt, is u van boven gegeven. Daarom draagt degene die mij aan u uitgeleverd heeft de meeste schuld.’ 12 Vanaf dat moment wilde Pilatus hem vrijlaten. Maar de Joden riepen: ‘Als u die man vrijlaat bent u geen vriend van de keizer, want iedereen die zichzelf tot koning uitroept pleegt verzet tegen de keizer.’ 13 Pilatus hoorde dat, liet Jezus naar buiten brengen en nam plaats op de rechterstoel op het zogeheten Mozaïekterras, in het Hebreeuws Gabbata. 14 Het was rond het middaguur op de voorbereidingsdag van Pesach. Pilatus zei tegen de Joden: ‘Hier is hij, uw koning.’ 15 Meteen schreeuwden ze: ‘Weg met hem, weg met hem, aan het kruis met hem!’ Pilatus vroeg: ‘Moet ik uw koning kruisigen?’ Maar de hogepriesters antwoordden: ‘Wij hebben geen andere koning dan de keizer!’ 16 Toen droeg Pilatus hem aan hen over om hem te laten kruisigen.


Zingen : Lied 560    
Hij ging de weg zo eenzaam
tot in Jeruzalem.
Geen vriend kon langer meegaan, 
geen mens hield nog de wacht met Hem. 
Hij ging die weg voor hen.
Hij deed dit ook voor hen.

Hij ging de weg zo eenzaam 
tot in Jeruzalem.
De beulen die Hem sloegen, 
bespotten met een doornenkroon.
Hij zweeg en leed voor hen, 
Hij deed dit ook voor hen.

Hij ging de weg zo eenzaam.
Hij droeg zijn eigen kruis.
Hij bad: Mijn God, vergeef hen!
Hij leed en stierf op Golgotha.
Hij deed dit ook voor ons, 
voor allen, ook voor ons.


Schriftlezing: Johannes 19 : 16b – 24    
Zij voerden Jezus weg;17 hij droeg zelf het kruis naar de zogeheten Schedelplaats, in het Hebreeuws Golgota. 18 Daar kruisigden ze hem, met twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in het midden. 19 Pilatus had een inscriptie laten maken die op het kruis bevestigd werd. Er stond op ‘Jezus uit Nazaret, koning van de Joden’. 20 Het stond er in het Hebreeuws, het Latijn en het Grieks, en omdat de plek waar Jezus gekruisigd werd dicht bij de stad lag, werd deze inscriptie door veel Joden gelezen. 21 De hogepriesters van de Joden zeiden tegen Pilatus: ‘U moet niet “koning van de Joden” schrijven, maar “Deze man heeft beweerd: Ik ben de koning van de Joden”.’ 22 ‘Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven,’ was het antwoord van Pilatus.
23 Nadat ze Jezus gekruisigd hadden, verdeelden de soldaten zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat een deel. Maar zijn onderkleed was in één stuk geweven, van boven tot beneden. 24 Ze zeiden tegen elkaar: ‘Laten we het niet scheuren, maar laten we loten wie het hebben mag.’ Zo ging in vervulling wat de Schrift zegt: ‘Ze verdeelden mijn kleren onder elkaar en wierpen het lot om mijn gewaad.’ Dat is wat de soldaten deden.


Lezen: Psalm 22  (uit: ‘In de schaduw van de Psalmen’ van Hans Bouma)


Schriftlezing: Johannes 19 : 25 – 30     
25 Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster, Maria, de vrouw van Klopas, en Maria uit Magdala. 26 Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,’ 27 en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ Vanaf dat moment nam die leerling haar bij zich in huis.
28 Toen wist Jezus dat alles was volbracht, en om de Schrift geheel in vervulling te laten gaan zei hij: ‘Ik heb dorst.’ 29 Er stond daar een vat zure wijn; ze staken er een majoraantak met een spons in en brachten die naar zijn mond. 30 Nadat Jezus ervan gedronken had zei hij: ‘Het is volbracht.’ Hij boog zijn hoofd en gaf de geest.


De paaskaars wordt gedoofd 


-    Stilte


Zingen: Lied 575 : 2 en 6  
Gij die alles hebt gedragen 
al de haat en al de hoon, 
die beschimpt wordt en geslagen, 
Gij rechtvaardig, Gij Gods Zoon, 
als de minste mens gebonden, 
aangeklaagd om onze zonde. 
Duizend, duizendmaal, o Heer, 
zij U daarvoor dank en eer.

Dank zij U, o Heer des levens, 
die de dood zijt doorgegaan, 
die Uzelf ons hebt gegeven 
ons in alles bijgestaan, 
dank voor wat Gij hebt geleden, 
in uw kruis is onze vrede. 
Voor uw angst en diepe pijn 
wil ik eeuwig dankbaar zijn


Schriftlezing: Johannes 19 : 31 – 37     
31 Het was voorbereidingsdag, en de Joden wilden voorkomen dat de lichamen op sabbat, en nog wel een bijzondere sabbat, aan het kruis zouden blijven hangen. Daarom vroegen ze Pilatus of de benen van de gekruisigden gebroken mochten worden en of ze de lichamen mochten meenemen. 32 Toen braken de soldaten de benen van de eerste die tegelijk met Jezus gekruisigd was, en ook die van de ander. 33 Vervolgens kwamen ze bij Jezus, maar ze zagen dat hij al gestorven was. Daarom braken ze zijn benen niet. 34 Maar een van de soldaten stak een lans in zijn zij en meteen vloeide er bloed en water uit. 35 Hiervan getuigt iemand die het zelf heeft gezien, en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en wil dat ook u gelooft. 36 Zo ging de Schrift in vervulling: ‘Geen van zijn beenderen zal verbrijzeld worden.’ 37 Een andere schrifttekst zegt: ‘Zij zullen hun blik richten op hem die ze hebben doorstoken.’


Meditatieve muziek: Andante uit ‘Italiaans Concert’ van JS Bach


Aanklacht onder het kruis (tekst Lied 585, gesproken, en refrein lied 547, gezongen)
V; Waar was jij, toen men Hem gekruisigd had?
Waar was jij, toen men Hem hing aan het kruis?


Zingen: refrein Lied 547
Kyrië eleison, 
wees met ons begaan, 
doe ons weer verrijzen 
uit de dood vandaan.


V: Waar was jij, toen de zon niet langer wilde schijnen?
Waar was jij, toen Hij in zijn graf gelegd werd?


Zingen: refrein Lied 547 Kyrië eleison, wees met ons begaan


V: Waar was jij , toen Hij uit de doden opstond? waar was jij?


Zingen: refrein Lied 547 Kyrië eleison …….


V: Honger heb ik geleden: gaf jij mij toen te eten?
A: Wanneer dan Heer, wanneer dan?
V: Dorst heb ik gehad, liet jij mij toen drinken?
A: Wanneer dan Heer, wanneer dan?
V: Ooit was ik een vreemdeling: gaf jij mij onderdak?
A: Wanneer dan Heer, wanneer dan?


Zingen: refrein lied 547 Kyrië eleison …..


V: Toen ik was uitgekleed: bedekte jij mijn schande?
A: Wanneer dan Heer, wanneer dan?
V: En toen ik ziek was: heb jij mij opgezocht?
A: Wanneer dan Heer, wanneer dan?
V: Ooit zat ik gevangen, kwam jij toen naar mij toe?
A: Wanneer dan Heer, wanneer dan?
V: Alles wat je niet voor één der minsten gedaan hebt, heb je ook Mij niet gedaan.


Zingen: refrein Lied 547 Kyrië eleison ….


V: Waar was jij?


Voorbeden
De voorbeden worden telkens afgesloten met:
V: … zo bidden wij:
A: Heer, verhoor ons 


Zingen: Tussentijds 157 : 1 en 2 
Gedenken wij dankbaar de daden des Heren, 
zijn leven, zijn dood en verrijzenis, 
en dat wij oprecht tot Jezus ons bekeren 
die onze God en leidsman ten leven is.

Hoe hadden wij onze bestemming vernomen, 
was Jezus de weg niet ten einde gegaan.
Wie zouden wij zijn, als Hij niet was gekomen 
om in zijn lichaam onze dood te doorstaan.


Lezing: Filippenzen 2:5-11
5 Laat onder u de gezindheid heersen die Christus Jezus had. 6 Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, 7 maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan een mens. En als mens verschenen, 8 heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot in de dood – de dood aan het kruis. 9 Daarom heeft God hem hoog verheven en hem de naam geschonken die elke naam te boven gaat, 10 opdat in de naam van Jezus elke knie zich zal buigen, in de hemel, op de aarde en onder de aarde, 11 en elke tong zal belijden: ‘Jezus Christus is Heer,’ tot eer van God, de Vader.


Zingen: Tussentijds 157 : 3 
Hoe zouden wij ooit voor elkaar kunnen leven, 
had Hij ons de liefde niet voorgeleefd, 
die tot de dood zich prijs heeft willen geven, 
die, Zoon van God, ons aller slaaf is geweest.


Lof op het kruis
V:     Laten wij God onze lof zingen 
Wij danken God om het kruis:
Christus maakt ons vrij


Zingen: Lied 578 : 1, 2 en 6
 
O kostbaar kruis, o wonder Gods, 
waaraan de prins der glorie stierf; 
ik wil om U zijn zonder trots, 
ik acht verlies wat ik verwierf.

Bewaar mij dat ik roemen zou 
dan in mijns Heren Christi dood. 
Al wat ik anders noemen zou 
is niets bij dit mysterie groot.
 
De aarde zelf is veel te klein 
voor wie U waarlijk loven wil. 
Uw liefde is een groot geheim, 
zij vraagt geheel mijn hart en ziel.


Slotgebed: gezamenlijk ‘Onze Vader’


Zingen:  590 : 1, 2, 3 en 4 
 
Nu valt de nacht. Het is volbracht: 
de Heer heeft heel zijn leven 
voor het menselijk geslacht 
in Gods hand gegeven.

De wereld gaf Hem slechts een graf, 
zijn wonen was hem zwerven; 
al zijn onschuld werd Hem straf 
en zijn leven sterven.

Hoe slaapt Gij nu, die men zo ruw 
aan ’t kruishout heeft gehangen. 
Starre rotsen houden U, 
rots des heils, gevangen.

’t Is goed, o Heer, Gij hoeft de eer 
van God niet meer te staven. 
Leggen wij ons bij U neer, 
in uw dood begraven.
 

We verlaten in stilte de kerkzaal
 

terug